Interview Dorian van Rijsselberghe: 'Op mijn 12e droomde ik hier al van'

DEEL DIT ARTIKEL Facebook
Carolien
Plasschaert

Goud halen op de Olympische Spelen is de droom van (bijna) iedere topsporter. Voor windsurfer Dorian van Rijsselberghe kwam deze droom gisteren voor de tweede keer uit. Wat heeft hij in zijn jeugd moeten doen en laten om nu zo succesvol te zijn? 

Hoe ben jij met windsurfen begonnen?
‘Ik woon op Texel, zo’n tien kilometer van het strand. Op mijn zesde zei ik: “Pap, mam, ik wil leren windsurfen.” Mijn broer en vader doen het ook, dus ik popelde om met hen mee te kunnen varen. Dat mocht, maar ik moest eerst leren zwemmen. Want als je op een plank staat, dan sta je op water. En als je niet kunt zwemmen, dan verzuip je.'

 
'Toen ik mijn zwemdiploma’s binnen had, kreeg ik les van mijn vader en ook mijn broer leerde me van alles op de plank. In het begin was ik een echte mooiweersurfer en ging ik alleen het water op als de zon scheen. Maar dat werd later wel anders. Ik kreeg een gloednieuw pak, te groot want het was op de groei gekocht, dat sterk naar rubber rook. Als ik nu door een surfshop loop, dan ruik ik nog wel eens aan die nieuwe pakken. Dat doet me zó denken aan vroeger. Een mooie tijd waarin ik vól dromen en vreugde zat. Al zit ik dat nu nog steeds.’

Wanneer begon je mee te doen aan wedstrijden?
‘Vanaf mijn achtste ging ik wedstrijden varen op de Waddenzee. Ik was een van de jongsten en had er superveel plezier in. Windsurfwedstrijdjes zijn echte fun-wedstrijden. Later deed ik mee aan jeugdseries, waar ik ook aardig kon meekomen. Vanaf je dertiende kun je aan echte races meedoen, en werd ik Nederlands kampioen. Ik was er serieus mee bezig, maar was wel nuchter genoeg om te zien dat het allemaal om plezier draait. Dat hebben mijn ouders me meegegeven. Als je een keer niet goed vaart, dan geeft dat niets.’

Wist je meteen: ik ga hier later mijn brood mee verdienen?
‘Op mijn twaalfde vroeg mijn vader me hoe ik mijn toekomst zag. Dat moest ik op een briefje zetten. Een heel serieuze vraag op zo’n leeftijd, waarop ik een serieus antwoord gaf. Ik schreef op dat ik in 2012 olympisch kampioen wilde zijn. Mijn vader zag dat ik er echt geloof in had en samen gingen we aan de slag met een plan, hoe ik dit doel zou kunnen halen. Dat briefje heb ik trouwens nog steeds.’


Van Rijsselberghe tijdens de huldiging in 2012. Toen won hij zijn eerste olympische goud.

Wat veranderde er na dit briefje?
‘Mijn leven werd iets gestructureerder omdat we vooruit gingen plannen. In het stappenplan stond dat ik in 2010 bij de eerste drie van de wereld wilde horen. In 2011 zou ik wereldkampioen zijn. En dan in 2012 olympisch kampioen. Als het een goede week was, trainde ik een uurtje of zes. Dat is niet veel, maar een surfplank is geen fiets waar je zomaar op kunt springen om te trainen. Er zijn veel factoren waarvan je afhankelijk bent om te kunnen varen. Verder was ik altijd buiten. Ik ging liever uren mountainbiken, dan dat ik binnen in de sportschool zat. Met mijn huiswerk ben ik nooit in de knoei gekomen. Ik zat op de vrije school dus kon mijn trainingen prima met school combineren.’

Een deel van dit artikel stond vlak voor de vorige Zomerspelen - vier jaar geleden in Londen - in de papieren 7Days. Altijd op de hoogte blijven van nieuws dat voor jongeren interessant is? Meld je aan voor onze gratis WhatsApp-dienst, download onze gratis app of neem een proefabonnement op de krant!

DEEL DIT ARTIKEL Facebook

Reageren