Blog

Zo voorkom je deze 7 veel gemaakte taalfouten

DEEL DIT ARTIKEL Facebook
blogger lucas
Lucas
Versteeg

Is het nou word of wordt? Groter dan of groter als? Niet meteen zuchten dat je dat nooit zult begrijpen! Veel spellingsdilemma's hebben niets met inzicht te maken, maar zijn gewoon regeltjes die je domweg in je hoofd moet stampen. Zo ook deze 7 veel gemaakte spelfouten. Even lezen hoe het zit en je maakt ze nooit meer. 

1. Akelige d’s en t’s
Aan mijn Facebook-timeline te zien, zijn de d’s en t’s zijn voor veel jongeren nog hartstikke lastig. Nu moet ik zeggen dat ik het zelf ook pas een jaar doorheb. 
Het is ik word en hij/zij wordt
Hoe weet je dat dan? Tip: vul het werkwoord 'lopen' in op de plek van het dilemma-werkwoord. Zou je dan loopT schrijven? Dan is het ook wordT. Komt er loop uit? Dan is het dus word

2. Als kind zijnde
Als kind zijnde, als mens zijnde of als scholier zijnde. Allemaal fout! Toch lijkt het zo normaal voor ons. Deze fout heet een contaminatie: een combinatie van twee uitdrukkingen die helemaal niet bij elkaar horen. Het moet dus zijn: als kind OF kind zijnde. Ga je leraar maar verbeteren!

3. Hoger als of hoger dan?
Oh, dit is wel een lastige. Je moet het even doorhebben, daarna vergeet je het nooit meer:
‘Dan’ gebruik je als er sprake is van een vergrotende trap: één van de twee dingen is groter/beter/slechter/kleiner. Eentje 'wint' dus. 
‘Als’ gebruik je als je twee dingen gelijkwaardig zijn aan elkaar. 
Dus het is: Even hoog als dit. Maar hoger dan dit. Of lager dan dit.

Let op: er is een uitzondering, namelijk de zo-als-constructie. De naam zegt het al: staat er zo in de zin, dan komt daarna altijd als. IJsland is bijvoorbeeld tweeënhalf keer zo groot als Nederland.

4. Beruchte woorden…
Sommige moeilijke woorden zijn om gek van te worden. Maar die zijn vaak ook gewoon een kwestie van leren. Bijvoorbeeld:
Interviewen: zonder U
Per se: zonder streepjes of accent
Accommodatie: dubbele C, dubbele M
Perziken: één K is genoeg
Recensent: eerst een C en dan een S (ezelsbruggetje: de C komt vóór de S in het alfabet)
Abonnees: eerst een B en dan twee N'en (ezelsbruggetje: de één komt voor de twee)

5. Hun, hen of zij?
Ik geef dit briefje aan hun. Of aan hen? Geven zij het, of geven hun het? HELP.
De regels zijn:
Zij is het onderwerp.
Hen gebruik je bij een lijdend voorwerp en/of na een voorzetsel. ('Ik geef het aan hen').
Hun is een meewerkend voorwerp. Het heeft dan geen voorzetsel, ook al kun je dat er wel vaak bij bedenken. 
Tip: snap je er nog steeds geen snars van? Gebruik ze. Dat wordt in spreektaal bijna altijd geaccepteerd.

6. Dat lastige wat. Of dat.
Dat wat ik gisteren deed. Dat wat? Wat? Nou dat…
Klik hier voor een grappig filmpje over deze kwestie. 
Maar even heel kort uitgelegd:
Dat gaat over iets heel duidelijks en concreets in de zin noemt, zoals: Het meisje dat sprak.
Wat gebruik je als je verwijst naar een hele zin. Of na iets onbepaalds, wat doorgaans de woorden alles, iets, niets en het enige zijn. In beide gevallen weet je wel waar het over gaat, maar wordt het niet letterlijk in dezelfde zin benoemd.

7. Beide of beiden
Is het nou beiden of beide mensen? En is het nou de meeste of meesten mensen?
Beide gebruik je altijd voor dieren en dingen. En voor mensen die je expliciet in de zin benoemt: Beide scholieren maakten altijd spelfouten.
Beiden gebruik je voor mensen, mits je ze níet expliciet in de zin benoemt: Ze zijn beiden gezakt voor hun examen. Je weet wel over wie het gaat, maar ze worden niet letterlijk in dezelfde zin genoemd.

Wil je alles nog uitgebreider doornemen en alle uitzonderingen weten? Kijk op de website van Onze Taal.

Welke taalfouten kom jij nog meer vaak tegen? Zet ze even in een reactie!

DEEL DIT ARTIKEL Facebook

Reageren